Afas-nie

Je hebt er weleens van gehoord: “afasie.” Mensen die hersenletsel oplopen kunnen met afasie te maken krijgen. Ik kan je uit eigen ervaring zeggen: “het is buitengewoon frustrerend, kost meer energie om de juiste woorden te bedenken en het dan ook nog eens goed uit te spreken of te schrijven.”

Als ik in goede doen ben, kan ik de oren van je kop af lullen behalve als ik overprikkeld ben. Juist dan, is praten lastiger, het is onsamenhangend, de gesprekken gaan van de hak op de tak en mijn woorden komen anders uit mijn mond, als wat ik bedoel.

Een blog schrijven, kost moeite en je vraagt je af “waarom doe je het dan” Mijn hart luchten op papier blijft bij mij een opluchting en ja ik doe er langer over. Dat is niet erg, want het geeft geen druk. Op dit moment ben ik opgebrand, uitgeput, het water staat tot mijn lippen … je kent het wel.

Wat houdt dat nu eigenlijk in? Het overprikkeld zijn. Je raakt overprikkeld door bewuste en onbewuste informatie die binnenkomt. Daarnaast heeft ieder mens te maken met externe prikkels, maar juist ook de interne prikkels. Interne prikkels?? Ja juist, je interne prikkels. Dat zijn vooral je gedachten en uiteindelijk hoe je, je hierbij voelt en over je gevoel, komen dan ook weer gedachten.

Ook in mijn hoofd, de zogenaamde omwegen (zie plaatje), die mijn hoofd moet maken om op een punt te komen. Waar een gezond brein er al lang is. Ik kom terug op afasie. Ik heb absoluut geen zware afasie, want anders had ik nooit blogs kunnen schrijven, maar ik heb het wel. En dat komt juist naar voren als ik overprikkeld bent.

Het moeilijk op mijn woorden komen, over mijn woorden struikelen, de woorden anders uitspreken of opschrijven. Dit allemaal kost mijn brein moeite en soms erg veel moeite. En dan kom ik weer op ik, ik de moeder met hersenletsel. Die zijn kind graag duidelijkheid wil verschaffen, maar ja ik zeg tegen mijn kind: “ga maar op het ophoginkje zitten” of “ga maar op de plank zitten” terwijl het een klein trappetje is, dan weet mijn kind niet wat ik bedoel.

Daarnaast vraag ik aan mijn kind “wil je die roze pakken?” En ik bedoel haar beker … ik hoor wat ik zeg maar ik denk anders of ik kom gewoon niet op het woord. Zoals ik het nu opschrijf, wordt het wat luchtiger, wordt het op de één of andere manier nog grappig, maar op het moment zelf frustreert het me enorm. Ik heb het gelukkig vaker niet als wel. En om er tegen te vechten? Nee … want dit is het en hier moet ik het mee doen. 

Liefs,

Jeannette

Ps. Iemand nog tips voor het communiceren (moeder met lichte afastie) met een kind van bijna 2?

Bron: Vesalius